20 June 2009

Het is eenzaam aan de top...

Sport. Daar doe ik dus niet aan, al best lang niet. Mijn laatste poging eindigte in een Berlijnse gymzaal waar ik judode met 16-jarigen. Judo is een leuke sport, daar niet van, maar de mensen die de dojo met mij bevolkten deden me de das om. Judoen is moeilijk met mensen die veel groter of kleiner zijn en op een of andere manier ontmoette ik ze toch altijd weer, de schriele meisjes die weinig weerstand boden, de doorgewinterde breedgekaakte judomannen die mij met een teenbeweging van de mat veegden. Fit bleef ik in Berlijn toch wel, door veel te fietsen en de stad te voet te verkennen. Ook van invloed was het wonen op de vijfde verdieping, echt een hele klim.

Nu dus Italie. Het aanbod aan sport in het dorp is niet echt groot. Voetbal. Wat wil je ook, met de gevoelde gemiddelde leeftijd van 70. Maar ook al zou het hier een levendige bedoening zijn geweest met sportverenigingen te kust en te keur, zat ik waarschijnlijk nog mijn zittend bestaan te vieren. Verenigingen houd ik niet van en competitief ben ik al helemaal niet.
Nu ben ik in de winter helaas nog luier geworden dan ik al was. Het was koud, nat, en er was geen reden het huis te verlaten voor een wandelingetje, zoals ik in Berlijn wel deed. (Dat wandelingetje eindigte namelijk steevast in een warm cafe, maar een equivalent is hier niet.)

Het is warmer inmiddels en ik voel me wat, ja, ingezakt. Mijn lijf heeft wat meer beweging nodig. Ik geef mezelf twee opties: de benenwagen en het stalen ros.
Mijn eerste uitstapje met de fiets, de eerste keer op de fiets sinds maanden, een regelrechte schande voor een Nederlandse, vind ik, liep niet zo goed af. Ik was van plan een rondje te fietsen op de racefiets. Hoewel ik in een berggebied woon, ben ik gezegend met uitzicht op een grote, vlakke vallei, waardoor de bergen niet zo in mijn snoet worden geduwd. Ook is het er lekker fietsen. De eerste helft van het rondje, zo'n 20 kilometer, ging prima, de fiets liep gesmeerd, mijn kuiten waren blij, de vogeltjes kwetterden en het zonnetje scheen. Toen liep de band van de velg en moest ik teruglopen. Best een leuke wandeling, maar niet de bedoeling. De fiets staat nog steeds in de kelder.
Onlangs heb ik twee keer boodschappen gedaan op de (andere) fiets. Het is niet echt leuk fietsen zo langs een drukke provinciale weg. Rond een uur of 13, dan gaat het het beste want dan is iedereen aan het eten. De Italianen vinden me dapper en kraaien 'quanto sei brava!' (wat goed van je!). Maar boodschappen doen op de fiets, 10 kilometer heen en terug, daar draaide ik voorheen mijn hand niet voor om! Als sport beschouwen doe ik het uit vaderlandse trots maar niet.

De benenwagen. Drie mogelijkheden: wandeltje, rennen of klimmen.
Wandelingen doe ik soms, vind ik verfrissend, maar alleen vind ik het niet zo leuk. Evenmin rennen, dat heb ik geprobeerd, maar de benodigde regelmaat nooit gevonden.
Gisteren heb ik maar weer eens geklommen, en dat wordt 'm. Mijn dorp is tegen een heuvelrug aan gebouwd. Van mijn huis loopt het steil omhoog, met als eindpunt 'Croce', een groot kruis op de top (God wacht er helaas niet met versnaperingen).

Scurcola_Marsicana_Panorama.jpg

Een mooi doel, al klimmend, zwoegend, zwetend naar boven. De helling ruikt meditteraan, ik heb er schik in om de bosjes thijm geurig te laten ruiken door aanraking met mijn voet. Meditteraan is ook de niet aflatende zwerm vliegen om me heen en de stenen en distels overal. Majesteus is de Monte Velino altijd in zicht. Hij dwingt me door te gaan, want zijn 2486 meter beklom ik vorig jaar in vier uur; het bedwongen hoogteverschil was toen zo'n 1700 meter en nu een luttele 300, kom op! 300 Meter omhoog, en er 300 weer naar beneden, het is een hoogteverschil waar menig Nederlander een uitstapje aan weidt.Het is duidelijk wanneer je er bent en de beloning is het uitzicht en de frisse wind. Dan weer naar beneden, waar ik mijn daal-kunsten kan oefenen voor meer serieus werk. Mijn Nederlandse fietskuiten zijn namelijk uitermate geschikt voor klimmen en klauteren, maar behendig naar beneden rennen kunnen ze nog niet. Het is moeilijk: de zwaartekracht trekt maar de angst om te vallen houdt tegen; dit allemaal op een ondergrond van talloze stenen en steentjes.
Twee keer per week wil ik klimmen. Mijn doel is om boven te komen zonder ook maar een keer op een steen uit te moeten hijgen. Bericht volgt.


18 June 2009

Ik was dus in Parijs

Glamour
Ik lig in het weelderige gras, het ruikt gemaaid en is van een bijna vergeten groen. Nouja, het is ook niet zomaar gras; het ligt op de doorkijk tussen Invalides en Grand Palais. Net kwam ik het hoekje omlopen en werd toch weer verrast door die prachtige koepel van de Invalides en het mooie glazen dak van het Grand Palais. Stapelwolkjes en gras doen me aan Nederland denken, en inderdaad is het zojuist bezochte Institut Néerlandais niet ver weg.
Maar daarom zit ik hier niet echt, hoewel het niet tegenvalt om even te hangen, dat moet je toch wel doen soms, hangen, tijdens bezoek in een wereldstad, al doe ik het misschien soms wel te vaak.
Nee, ik zit hier dus omdat ik de statige strook gras deel met een vrouw die hier al eerder zat dan ik. Ik liep namelijk nog op het trottoir en zag die vrouw zitten, omgeven van tassen. Ze greep mijn blik omdat ze al zittend haar onderbroek aan het uittrekken was - mensen met campingervaring of een seksleven weten dat dat een lastige onderneming is, onopvallend is anders.
Ze schoof hem, vleeskleurig, zo naar beneden, terwijl ze om zich heen keek of er niet mensen waren die naar haar keken, zoals ik, of zoals de politie met petten als koektrommels. Dat zelfbewustzijn duidde op schaamte. Zo interpreteerde ik het althans, en, zo ook mijn theorie, dat onderscheidde haar van sommige zwervers die de schaamte allang voorbij zijn.
De vrouw zit zich inmiddels lekker te wassen met wat water uit een coca-cola flesje. Hop, daar verdwijnt het water tussen de benen en hop, een andere, witte, slip gaat aan. Ook de jurk, die er inderdaad wat warm uitziet, wordt verruild voor een wat meer aan het weer aangepast hemdje. Na een wasbeurt van de ledematen is het flesje leeg, en ook dit wordt omgeruild, en wel voor een fles wijn. De wijn belandt in een plastic bekertje en nu kan de vrouw weer opgaan in de-mensen-die-in-het-gras-zitten. Zelfs een nieuwsgierig aagje als ik zal niets opmerkelijks meer aan haar ontdekken. Dus ga ik de gouden beelden op de brug maar bewonderen.

Maar wat is dit nu? Het verhaal krijgt nog een onverwacht vervolg, maar geen plotwending. Een man is op het gras nedergezegen. (Behalve ons drie zitten er een groep keuvelende studenten, een vunzend paartje in stralend witte t-shirts en bierdrinkende mannen.)
De man heeft een ontbloot bovenlichaam en een bijpassend kaal hoofd. Hij heeft zijn schoenen uitgetrokken en...gaat zijn teennagels knippen! De vrouw zit enkele meters van hem af en volgt zijn voorbeeld. Twee handen pulken aan tien tenen en opeens voel ik hoe heet mijn eigen voeten het hebben. Ik maak me dus maar toepasselijk uit de voeten. De vrouw schenkt nog een glaasje wijn in, de man pulkt nog even aan zijn schouder en ik dompel me weer onder in de stad.

Dit is geen officieel park, dus hoewel er vele toeristen passeren, denken die er niet over om in dit exquisiete gras te zitten. Menig park steekt schril af tegen deze groene overdaad en het weidse statige uitzicht dat het biedt.
Ik weet hoe toeristen denken: ze zijn meer van het aandoen, het geweest-zijn, het bezoeken, van het hot en het her. Ze letten op waar ze heengaan en bewonderen hun bestemming, maar niet wat daartussen ligt.
Even op een ongenoemd stuk zitten en van daaruit details zien hoeft niet zo. Dat is dorps, dat hoort niet bij de stad, vinden ze. Die dorpsmentaliteit laat dan ook dingen zien die niet in het stadsgidsje en de vergaarde informatie passen. Het brengt dingen naar boven, net als je die in een dorp wel móet zien. Met een stadsblik een dorp verkennen is wat saai, want dan ben je gauw klaar.

05 June 2009